Effectief gebruik van theorie en eerder onderzoek in kleinschalig PGO

Het is goed gebruik om bij onderzoek voort te bouwen op eerder onderzoek rond een specifiek praktijkvraagstuk of kennisvraagstuk. Maar wat als in kleinschalig onderzoek een vraagstuk uit je eigen praktijk centraal staat? De kans is klein dat er al eerder eerder onderzoek is gedaan naar dat vraagstuk in die praktijk. Wat maakt algemene theorie en vergelijkbaar onderzoek dan belangrijk voor een kleinschalig praktijkgericht onderzoek? Het antwoord is dat belangrijk is voor de conceptualisering, afbakening en operationalisering van je onderzoek.

Waarbij conceptualisering het vermogen is om iets ingewikkelds in duidelijke begrippen, relaties en beelden vast te leggen. Door middel van afbakening maak je duidelijk wat hoofd- en bijzaken zijn, en wat wel en wat niet onderzocht of uitgewerkt zal worden. En bij operationalisering werk je de afgebakende abstracte begrippen uit in evalueerbare en meetbare kenmerken (indicatoren), bijvoorkeur met een indicatie van standaarden: wanneer is het onvoldoende, voldoende of goed?

 

Effectief gebruik van theorie en eerder onderzoek in kleinschalig PGO

 

Praktijkgericht Onderzoek

 

 

Maar conceptualisering, afbakening en operationalisering van wat? Bij een eenvoudig kennisgericht onderzoek is dat nog redelijk overzichtelijk: hoeveel mensen hebben voorkeur voor variant A, B, of C; en wat zijn de belangrijkste motieven voor die voorkeur? Dat zijn meestal vragen gericht op momentopnamen: waarom, wie, wat, waar, waarmee, hoeveel, hoe.

Bij een op praktijkontwikkeling gericht onderzoek met veranderkundige componenten wordt het aanzienlijk complexer dan gaat het ook om de vraag hoe je daadwerkelijk tot beweging en ontwikkeling kunt komen in een gewenste richting. Bij een veranderkundig praktijkgericht zullen daarom meerdere zaken benoemd, uitgewerkt en afgebakend moeten worden, bijvoorbeeld:

  • Inhoudelijke aspecten: welke (minimum) eisen moeten gesteld worden aan de inhoudelijke kwaliteit van mogelijke oplossingen?

  • Veranderkundige aspecten: wat is een passende veranderkundige aanpak, gegeven het doel, de aanleiding, context, en opvattingen van betrokkenen over veranderen en veranderd worden?

  • Empowerment en eigenaarschap: in hoeverre zijn betrokkenen voldoende competent op inhoud van het onderwerp, en op het samen onderzoeksmatig stellen en realiseren van doelen? Zijn ze voldoende toegerust om eigenaarschap op zich te kunnen nemen?

  • Begeleiderschap: wat is een passende aanpak en invulling van de rol als begeleider / onderzoeker van een dergelijk inhoudelijk veranderkundig traject? Hoe zorg je voor een goede balans tussen de rol van inhoudelijk expert en de rol van procesbegeleider, onderzoeker en (team)coach?

 

Bovenstaande punten kunnen allemaal voorwerp van praktijkgericht onderzoek zijn: allemaal tegelijk, in verschillende combinaties of met selectie van één van die punten. Maar waar je ook voor kiest, bij de uitwerking van het praktijkvraagstuk (conceptualisering) en de afbakening dienen deze punten aan bod te komen. Je zult op basis van theorie, eerder vergelijkbaar onderzoek, en gezond professioneel verstand moeten komen tot een passende conceptualisering van het praktijkvraagstuk, als startpunt voor een eerste afbakening. Daarbij kan het zijn dat je wel je veranderkundige aanpak en je eigen rol uitlegt en verantwoordt, maar niet verder onderzoekt. Of, dat aangeeft wat de inhoudelijke eisen zijn, veranderkundige aspecten en aandachtspunten rond empowerment en eigenaarschap, maar vervolgens je onderzoek afbakent rond specifieke elementen van je begeleiderschap.

Een eerste afbakening vraagt mogelijk weer verdere conceptualisering voor je tot een definitieve afbakening kunt komen, die passend is voor wat je wilt onderzoeken, en wat haalbaar en uitvoerbaar is..

Na de laatste afbakening moet je de kern van dat wat onderzocht gaat worden: operationaliseren: wat gaat concreet en betrouwbaar gemeten worden? Met andere woorden, wat zijn de indicatoren die je wilt meten of monitoren? Wat zijn de concrete fases in een collectief onderzoeksmatig proces, en welke informatie moeten die fases opleveren? Wat zijn de standaarden voor kwaliteit die je daarop zou willen / kunnen toepassen: wanneer is iets onvoldoende, voldoende of goed? Daarmee kom je aan het eind van het proces van conceptualiseren, afbakenen en operationaliseren.

 

Vervolgens kan je de methodologie uitwerken om aan te geven hoe je die gegevens gaat verzamelen en hoe je die gaat analyseren. Daarbij kan het ook handig zijn om te weten hoe anderen vergelijkbare vraagstukken hebben onderzocht en aangepakt en wat daarbij hun ervaringen zijn geweest.

 

Tenslotte grijp je bij het trekken van conclusies weer terug op alles wat je hebt uitgewerkt in de eerdere theoretische verkenningen, afbakeningen en operationalisaties. Met die kennis en met de uit de praktijk verkregen duid je de praktijk, trek je onderbouwde conclusies en doe je aanbevelingen.

 

Dan is de cirkel rond.

 

Zie voor meer informatie over praktijkgericht onderzoek ook: Zeven keer hulp bij praktijkgericht onderzoek: LINK

 

http://www.wdv-advies.com/index.php/resources/47-resources/86-zeven-keer-hulp-bij-praktijkgericht-onderzoek

 

Willem de Vlaming, mei 2017

 

© wdv-advies (betaversie 0.1)